Hoe ik de wereld een beetje heb veranderd

Op 16 september 2002 verscheen deze column van mij in Metro:

Een onmisbare uitvinding

Wat hoort niet in dit rijtje thuis: auto's, computers, mobiele telefoons, zaklampen, fietsen. Inderdaad, de fietsen. Alle andere doen het niet zonder batterij. Er is een aanzienlijke lijst van onmisbare uitvindingen gepubliceerd toen we een of twee jaar geleden het nieuwe millennium ingingen. Wat ik in al die lijstjes miste was de batterij.
De batterij heeft de afgelopen tien jaar het sociale leven meer beïnvloed dan wat ook. De batterij maakte de draagbare cassette-, cd- en minidisc-speler mogelijk. De volautomatische autofocus camera. de videocamera en de digitale camera met geheugenkaart. De laptop, de PDA en natuurlijk de mobiele telefoon. Alles wat je eerst aan huis bond neem je nu gewoon mee. De moderne journalist kan een compleet audiovisueel kantoor meenemen in zijn handbagage: laptop, digitale videocamera, digitale fotocamera, mobiele telefoon, draagbare printer. En dat alles hoeft niet meer te wegen dan voorheen een 'draagbare schrijfmachine'. Dat doet het helaas wel.
Elk apparaat heeft namelijk zijn eigen adapter/oplader nodig. En zo sjouw je nog eens een kilo aan apparaten en losse snoertjes mee.
Ik weet niet of het een broodje aap-verhaal is dat een Europese Commissie voorschrijft hoe lang en krom de komkommers mogen zijn voor ze geveild kunnen worden. Het zou me niet verbazen als het waar was. Maar hier zouden eens wat mensen op gezet moet worden. Hoeveel geld zou daar mee bespaard kunnen worden, door wettelijk voor te schrijven dat elke mobiele telefoon hetzelfde contact moet hebben? Dat dat contact ook op alle mobiele apparatuur zit, zodat je aan één oplader genoeg hebt voor alle apparaten van alle merken.
Europarlementariërs reizen veel, niet alleen tussen Brussel en Straatsburg, dus het is wonderbaarlijk dat niet allang een ijverige ambtenaar een concept heeft ingediend.


Zo.

Erik Meijer van de SP, gemiste kans van GroenLinks, nam de handschoen op, op 30 oktober 2002 en stelde
daarover een vraag in het Europees parlement. Hij kreeg nog antwoord ook.

Een klein citaat:

WRITTEN QUESTION E-3124/02
by Erik Meijer (GUE/NGL) to the Commission
(30 October 2002)

Subject: Lack of standardisation of batteries and adapters for the supply of electric power for portable equipment

A report in the Netherlands edition of the free daily newspaper ‘Metro’ on Monday 21 October 2002 comments that people can now take with them on journeys all of the equipment which at one time could only be used at home, such as phones, digital video cameras, computers and printers, and that this weighs no more than the old portable typewriters. However, the report also points out that each of these types of equipment has its own combination of batteries and adapters for charging and for converting power from the grid, and that this means that it is necessary to also carry a large number of relatively heavy devices in order to operate such electrical equipment on journeys.
The author, Jack Nouws, expresses his surprise at the fact that standardisation has not yet been carried out at EU level, asking how much money could be saved by laying down legal requirements for all mobile phones to have the same type of adapter socket and for this same adapter socket also to be used for all portable equipment, so that one charger is sufficient for all makes of equipment. He comments that Members of the European Parliament travel a great deal, not just between Brussels and Strasbourg, and that it is surprising that a proposal has not long since been put forward by a zealous official.

Aware of this,
1. Why, when the market for portable electrical equipment began to take off in the 1980s, was standardisation of charging devices not carried out, not even between the different types and makes of mobile phone?


Enzovoort. En toen bleef het stil.

Exact twee jaar geleden schreef ik er
nog een column over op MacFan.nl.

Nog een citaatje:

In 2002 maakte ik voor een opdracht een reis van vijf weken door een aantal Europese landen. Bij me had ik twee gsm’s, een laptop, een md-recorder, een videocamera en een digitale camera. En even zovele adapters. Ik schreef daar nog een artikel over voor Metro, dat je je kapot sjouwt aan adapters. En of er misschien een commissie is, naast de commissie die over de kromming van komkommers gaat, die zich bezighoudt met de standaardisering van adapters en connectoren.

Wie schetst mijn verbazing (Nou? Wie? Wie?) toen ik een e-mail kreeg doorgestuurd van de redactie van Metro. Erik Meijer van de Europese fractie van de SP had naar aanleiding van mijn column precies mijn vraag gesteld. En op 8 januari 2003 kwam er ook nog eens antwoord. Helaas niet al te hoopgevend maar toch: ‘De Commissie is voornemens deze kwestie bij de industrie aan te kaarten om na te gaan waarom de industrie deze interfaces niet vrijwillig heeft geharmoniseerd en te onderzoeken wat mogelijk is om de situatie bijvoorbeeld door normalisatie te verbeteren.’ Zo, en dan zeggen ze nog dat schrijvers de wereld niet kunnen verbeteren.

Het excuus van de industrie was dat de ontwikkelingen op accugebied nog steeds in volle gang zijn en dat elk apparaat zijn eigen stroombehoefte heeft. Om beschadiging te voorkomen wordt daarom met verschillende connectoren gewerkt. Dat was in ieder geval in 2003. Toen Talpa nog een droom was en geen nachtmerrie en we dachten dat de G5 de definitieve Intelkiller zou zijn.

Maar vandaag hebben we dan uitsluitsel gekregen. Na aandringen vanuit het Europese Parlement hebben de grootste mobiele-telefoonfabrikanten, inclusief Apple, besloten dat vanaf volgend jaar alle smartphones opgeladen kunnen worden via micro-USB, zodat je met één oplader 90% van alle telefoons kan opladen.

Het is misschien overdreven om alle eer naar mezelf te trekken, want Erik Meijer heeft immers de boel aangezwengeld. En het is ook niet dat ik er rijk van wordt of zo.

Maar het laat wel zien dat je stem laten horen zin heeft, ook al gaat het om zoiets onbenulligs als een oplader van een gsm.

NB De commissie van kromme komkommers bestond dus echt.
Die is ook opgeheven. Het zou fijn zijn als ik dat ook op mijn conto kon schrijven...

Ali & Neda

(Dit artikel verscheen op 19 maart 2004 in Metro. Ali en Neda, niet hun echte namen, zijn een jaar later teruggegaan naar Iran, nadat hun asielverzoeken werden afgewezen, ondanks alle pogingen van een grote groep mensen. Twee lieve aardige gemotiveerde mensen. Geen idee hoe het met ze gaat. Maar ik moet wel aan ze denken, de laatste dagen)

Ik werd laatst uitgenodigd om meedoen te doen aan de omsingeling van het Binnenhof. Als ik wilde kon ik een hele dag op een stoel gaan zitten, als stil proteste tegen het uitzettingsbeleid (het deportatiebeleid) van Verdonk. Arme ziel Verdonk, ze voert alleen maar een wet uit die een vorig, Paars, kabinet heeft aangenomen. Ik dacht dat nieuwe kabinetten altijd meteen vorige wetten afschaffen, maar het zal wel net zoiets zijn als met Europese wetgeving. Als het geld oplevert doet Nederland meteen mee, als het geld kost dan telt het niet.
Afijn, ik zag mezelf daar niet zitten, want zoiets moet je aan Bekende Nederlanders overlaten. Wat ik wel kon doen was een stuk schrijven voor mijn rubriek in Metro. Ik kende toevallig een Iraanse vrouw en ze wilde graag samen met haar man vertellen hoe het is asielzoeker in Nederland te zijn. Op voorwaarde dat ze anoniem zou blijven. Ali en Neda, zoals ik ze zal noemen zijn twee ontwikkelde, gemotiveerde mensen. Ze waren allebei politiek actief in Iran. Geen doorsnee mensen dus, want in het gesprek dat ik met ze had, bleek dat ze goed hadden nagedacht over de wereld. Beter dan de doorsnee Nederlander. Binnenkort (de datum zou hun verrraden) is hun rechtzaak. Als het oordeel van de rechter negatief is worden ze teruggestuurd naar Iran. Ze zijn daar doodsbang voor.
Ik vind Ali en Neda een verrijking voor Nederland. Misschien kunnen we in hun plaats twee anderen naar Iran sturen. Ik ken er wel een paar. Vanaf nu elke dag een hoofdstuk uit hun relaas.



'I am a refugee' (aankomst)

'Alsof je 's ochtends uit bed stapt en met je slaperige hoofd tegen de openstaande deur van een kast loopt. Voor een moment is de pijn zo erg dat je helemaal niets ziet en daarna dansen er sterretjes voor je ogen.' Zo omschrijven Ali en Neda het onwerkelijke gevoel om als gevluchte Iraniër op een kille morgen in een vreemd land uit een vrachtwagen te stappen. Het was in Breda, maar de situatie was zo verwarrend dat ze niet meer weten waar. Ergens langs de kant van weg, onder aan een oprit. Boven aan de weg stond een man in een blauwe BMW klaar. Hij gaf hen zijn mobiele telefoon, zodat ze naar Iran konden bellen met één boodschap: 'Je kunt betalen.'
Het was het einde van een reis die tien dagen geduurd had. In Turkije wachtten ze drie dagen met een Afghaans paspoort tot er transport was geregeld. Met een andere Iraniër en een Afghaan zaten ze zeven dagen in de laadbak van een vrachtwagen. Ze konden zich warmhouden onder karton dozen. 's Nachts mochten ze er even uit. Eten of drinken was er nauwelijks, bij elke grensovergang was er wel de angst gepakt te worden. In de duisternis vertraagde het leven. Het enige wat je kon doen was je ademhaling of je hartslag tellen.
Tot op klaarlichte dag de deuren opengingen en ze te horen kregen dat ze in Breda waren. In Nederland, gelukkig: hier werd eerst onderzocht of je recht op een vluchtelingenstatus had. Frankrijk en Zweden sturen je meteen terug. De man in de BMW bracht hen naar een kruising in de stad. In de auto leerde hij hen een zinnetje:
I am a refugee. 'Wacht een paar minuten en loop dan naar het politiebureau,' zei hij en reed weg. Vanaf nu moesten ze het zelf doen.
Bij het politiebureau werden ze op de bus naar Rijsbergen gezet, waar een van de aanmeldcentra (AC) voor asielzoekers staat. Neda vertelt dat ze dit laatste gedeelte van de reis nooit meer zal vergeten: 'Niemand zei iets. Het was geen vreugde of verdriet dat ik voelde. het was allemaal nieuw.'
Het was 21 maart 2000. De eerste dag van de lente. En nieuwjaarsdag in Iran. Symbolischer kun je het niet bedenken.


Sollen met asielzoekers

Ali en Neda kwamen aan in Breda, Noord-Brabant, op 21 maart 2000.
Ze meldden zich aan in aanmeldcentrum Rijsbergen, Noord-Brabant.
Ze werden naar Mill, Limburg gestuurd, daar bleven ze tot 27 maart.
Per bus teruggebracht naar Rijsbergen waar ze vier dagen door de IND werden ondervraagd.
Daarna naar Ermelo, Gelderland gestuurd (het tentenkamp langs de A27, inmiddels opgeheven).
Van daaruit tien dagen opgevangen in een pension in Assen, Drenthe.
Daarna veertig dagen in het aanmeldcentrum Ter Apel, Drenthe verbleven.
Voor drie maanden naar Bergum, Friesland, gestuurd.
Na zes maanden via de ZZA-regeling een kamer gevonden in Utrecht, Utrecht.


Punten bij God

'Wij begrijpen maar amper wat Nederlanders als probleem zien in hun land en zo begrijpen Nederlanders maar amper wat er in het onze aan de hand is,' zegt Neda. Ali werd in 1982 gearresteerd omdat hij lid was van een politieke partij. Hij was toen 19 jaar. In dat jaar werd de hoop opgegeven dat de Islamitische revolutie van 1979 vrijheid en democratie zou brengen
Iran was tot dat jaar de oudste monarchie ter wereld. In 1953 lag de macht bij sjah Reza Pahlawi en een paar rijke families. Het land was ingericht als een moderne Westerse staat, met steun van de VS. Feitelijk heerste er een dictatuur, met een van de wreedste geheime diensten ter wereld, de Savak, getraind door de CIA. De modernisering maakte de kloof tussen rijk en arm groter en groter, de islamitische geestelijken stoorden zich meer en meer aan de tienduizenden Amerikaanse 'adviseurs' in Iran. In januari 1979 barstte de bom. De sjah vluchtte en de Iraanse Islamitische Republiek werd ingesteld. Oppositiepartijen die een ondergronds bestaan hadden geleid kwamen boven. Nieuwe werden opgericht. Maar meteen na de revolutie raakte Iran verwikkeld in een oorlog met Irak. De problemen die deze oorlog met de internationale gemeenschap opleverde zorgden voor een hevige strijd tussen de conservatieve en hervormingsgezinde partijen. De conservatieven wonnen.
Ali was lid geworden van de Tudeh-partij, netzoals zijn vader, broers en zussen. De Tudeh regeerde voor het laatst in 1953, in het kabinet van Mossadeq. Dat regime werd door Amerika omvergeworpen ten gunste van de sjah. De Tudeh is communistisch. Dat maakte de leden ook na de revolutie van 1979 extra kwetsbaar, toen de Iraanse Islamitische Partij van Khomeini alle macht naar zich toe trok. Communisme is per definitie atheïstisch. Zijn vader werd opgepakt, gemarteld en geestelijk en financieel geruïneerd. Zijn zus vluchtte in 1982 naar Duitsland. Daarna was Ali aan de beurt.
'Gevangen zitten is nog het minste,' zegt Ali, meer dan twintig jaar later. 'Maar je wordt niet alleen fysiek gevangen gezet. Je persoonlijkheid wordt gebroken, om je zover te krijgen dat je mensen verraadt. En jezelf. Vierentwintig uur per dag word je gehersenspoeld. Ik heb onbegrijpelijke martelingen gezien: mannen die drie maanden lang elke dag zwijgend in een graf moesten liggen. Mijn vader was communistisch. Voor de islam was mijn moeder daardoor met een heiden getrouwd. Het huwelijk was ongeldig en dat maakte mij een bastaard. Ik weigerde dat toe te geven en daarom werd ik urenlang geslagen. Ik vroeg aan de beul, waarom sla je mij? Hij antwoordde, als ik jou sla verdien ik mijn punten bij God. Ik wist toen dat het nooit zou stoppen. Ik weigerde een verklaring te ondertekenen waarin ik spijt betuigde van mijn politieke misdaden en kreeg te horen dat ik zou worden geëxecuteerd. 's Ochtends om vier uur haalden ze me uit mijn cel en zetten ze me met een zak over mijn hoofd tegen de muur. Er werd vlak boven mijn hoofd geschoten. Ik viel flauw.'
Na deze gruwelijk nep-executie ondertekende Ali de verklaring waarin hij beloofde hij nooit meer politieke actief te zijn. In 1988, vijf jaar later, was elke politieke gevangene zonder proces geëxecuteerd, inclusief nagenoeg de hele top van de Tudeh-partij. Zijn vader overleefde de uitputting en de martelingen in de gevangenis slechts vier jaar.


Roep om democratie en openheid

Na zijn vrijlating in 1983 ging Ali een zware tijd tegemoet. De eerste drie maanden mocht hij de stad niet uit. Elke week moest hij stempelen bij de politie. Hij was uitgesloten van de universiteit en kon geen baan krijgen bij de overheid of een genationaliseerd bedrijf. Zijn militaire dienstplicht vervulde hij in de meest afgelegen delen van Iran. Ontmoetingen met vrienden waren verboden. 'Het was niet persoonlijk bedoeld,' zegt hij berustend, 'het gold voor iedereen die politiek actief was geweest.
In 1990 had Ali zich lang genoeg koest gehouden om de aandacht van de autoriteiten te verliezen. Hij zette een bedrijf in brandbeveiliging op. Later begon hij ook nog een uitzendbureau, hij trouwde en kreeg een dochter en een zoon. Ali raakte in een echtscheiding verzeild en ontmoette later Neda met wie hij een nieuwe leven begon. Ondanks alle spanningen in een land gaat het dagelijkse leven ook gewoon door.
Door de Golfoorlog in 1991 richtte de belangstelling van de internationale gemeenschap zich meer op Irak dan Iran. Daar ontdekte het volk dat de dictatuur van de geestelijken dezelfde was als die van de sjah.
'Of eigenlijk nog wreder,' zegt Ali. 'Het aantal geëxecuteerde politieke gevangene is onbekend, hun lichamen zijn verdwenen. Zelfs als je niet politiek actief bent loop je gevaar. Harde muziek in je auto afspelen, zonder hoofddoek of met make-up op straat gaan, met je geliefde hand in hand lopen, dat is genoeg voor geseling met de zweep of marteling met elektrische schokken. Journalisten, dichters, schrijvers, zangers, ze zijn om niets vermoord.'
De roep om meer democratie en openheid werd in 1995 steeds groter. De voortgaande islamisering en de invoering van de sharia, islamitische wetgeving, riep verzet op. Hervormingsgezinden geestelijken vreesden dat het volk zich zouden afkeren van de islam als de dictatuur bleef bestaan. Er werd een poging gedaan martelpraktijken te verbieden. De liberale president Khatami stond persvrijheid toe en langzaam gloorde het licht van de democratie. Tudeh roerde zich weer. Ondergronds en zonder zich openlijk aan een partij te verbinden werd Ali actief.


Een vergrijp waar je in Nederland alleen maar om lacht, misschien

'Wat bezielt je dan om je twaalf jaar later weer in de politiek te storten?' vraag ik aan Ali. Hij antwoordt zonder aarzelen. Het Farsi klinkt een beetje Fins, als een rustgevend zacht zoemen. De tolk zegt dat ze zich ook wel eens afvraagt of ruziënde Iraniërs echt boos kunnen klinken. Maar door het contrast met die zachtheid raken Ali's woorden me diep: 'Zou jij niet vechten voor de rechten van je kinderen? Om de toekomst van je kinderen zeker te stellen?'
'Vrijheid is een van de fundamentele rechten van de mens,' zegt Neda. 'Officieel leeft zestig procent van de Iraniërs onder de armoedegrens. In werkelijkheid is het eerder negentig procent. En dat in een olieproducerend land. De geestelijken spreken over de Satan Amerika, maar hebben ondertussen corrupte deals met bedrijven in de VS. Wij zijn niet religieus, maar hebben respect voor het geloof van anderen. Maar in Iran is religie een excuus voor onderdrukking en zelfverrijking geworden. Er moesten dingen veranderen. De olieopbrengst naar het volk. Een grotere vrijheid, zonder wapens, zonder oorlog. Waar vrouwen mogen werken, maar kinderen juist niet. Iran heeft een jonge bevolking, barstend van kennis en talent, maar het volk wordt dom gehouden. De mensen moesten bewust gemaakt worden.'
Ali knikt instemmend en kijkt me aan. 'Jij zegt: wat bezielt je om je twaalf jaar later weer in de politiek te storten? De vraag had moeten zijn: Waarom ben je niet al die tijd actief gebleven?'
Meerdere keren in deze periode arresteerden en treiterden de autoriteiten Ali en Neda. De invallen hebben Ali's kinderen voorgoed getraumatiseerd. Na het oprollen van de studentenbeweging viel zijn naam. Op een moment dat zij toevallig niet thuis waren kwam er een inval. Ali en Neda doken onder. Alles, tot en met de foto's van de kinderen is hen afgenomen. Ali wist wat hem te wachten stond als hij gevonden werd. Mensen die hij liever niet noemt hebben hem en Neda het land uit geholpen. Hun enige bezittingen: de kleren die ze aanhadden.
'Ik heb de wapens niet gegrepen, niemand verwond. Mijn misdaad is dat ik over vrijheid en democratie gepráát heb.' Hij kijkt me aan. 'Een vergrijp waar je in Nederland alleen maar om lacht, misschien.'
Ik zou niet durven.


Het belang van mensenrechten in het Westen gaat op en neer met de olieprijs

Ali en Neda wonen niet in een asielzoekerscentrum. Ze hebben gebruik gemaakt van de ZZA-regeling (ZelfZorgArrangement, in juni 2002 weer afgeschaft), die het asielzoekers mogelijk maakt een kamer te huren bij een familielid, vriend of kennis. Zij konden intrekken bij een Tudeh-lid in Utrecht. Aan de tijd die ze in asielzoekerscentra en tentenkampen hebben doorgebracht - soms met vier nationaliteiten op één kamer - denken ze niet met plezier terug. De zielloze dagen dat je op je kamer zat. Het was geestdodend. Ondertussen leefde je in het besef dat je je familie en je kinderen had achtergelaten. Neda probeerde Nederlands te leren. Ali schreef het verhaal van hun vlucht op. Als het klaar is laat hij het vertalen, zodat ik het kan lezen, belooft hij.
Ali en Neda vinden het erg onbeleefd om kritiek te uiten op het Nederlands asielbeleid. Pas na lang aandringen willen ze er iets over zeggen.
'Een asielzoeker zonder status mag niet werken, een asielzoeker zonder status mag geen opleiding volgen. Dat is frustrerend,' zegt Neda. 'Niemand wil alleen maar zijn hand ophouden. Wij kunnen het niet. Ik wil sociale vaardigheden opdoen, ontdekken in wat voor land ik woon en eraan bijdragen. Maar het mag niet. Ja, drie maanden per jaar mag je werken. Seizoenarbeid, zoals appels plukken. Wat je verdient wordt op je uitkering ingehouden, zodat je heel weinig overhoudt. Een asielzoeker heeft minder geld te verteren dan er hier aan honden en katten wordt uitgegeven. Asielzoekers zijn het laagste van de maatschappij.'
Ali knikt. 'Er is altijd behoefte aan zwartwerkers in dit land. De bazen weten de weg naar het asielzoekerscentrum te vinden en ze vinden altijd mensen die willen werken. Meestal voor weinig geld. Als je het al krijgt,' voegt hij er door schade en schande wijs geworden aan toe. 'Honderd jaar geleden hielden Nederland, Engeland en Frankrijk slaven. Nu komen de slaven zelf, in de hoop hun levensomstandigheden te verbeteren. Als Europese landen arbeiders nodig hebben, of politieke motieven hebben, dan staan de deuren open voor buitenlanders.' Hij zwijgt even. 'Het belang van mensenrechten gaat in het Westen op en neer met de olieprijs.'
Neda gaat verder. 'Een asielzoeker die jaren in een asielzoekerscentrum zit heeft dezelfde straf als een misdadiger die de bak in gaat. Zo iemand heeft alles verloren. Hoogopgeleide mensen en actieve politici die boordevol plannen en idealen hun land moesten verlaten worden gedwongen zich koest te houden. Ze mogen niet studeren en hebben geen inspraak. Ze hebben geen vrienden of bekenden meer in het land van herkomst. Na die jaren bezwijken ze onder de psychische druk, omdat ze elk moment kunnen worden uitgezet. Als ze dan toch een status krijgen is alle initiatief eruit. Geen wonder dat Nederlanders denken dat asielzoekers alleen maar komen om hun hand op te houden.'
Dat idee kan Ali heel treurig stemmen. 'Hoe moet je dat uitleggen? Wij zijn daar geboren, mijn kinderen wonen daar. Ze waren acht en negen, nu zijn ze twaalf en dertien. Voor ouders is er niets mooiers dan te zien hoe een kind zich ontwikkelt: het eerste woordje, naar school, studeren. Wij zijn daar geen getuige meer van en zullen het nooit meer meemaken. Ze waren kind toen ik wegging; als ik ooit terugga krijg ik ze als volwassene terug. Wat is daar het profijt van?'


Je leeft maar één keer

Het is een paradoxale stituatie. Je moet je land uitvluchten vanwege een linkse atheïstische instelling, je bent ook nog eens anti-Amerikaans en je krijgt asiel in een kapitalistisch land met een CDA-premier die kwispelt als hij George Bush ziet. 'Dat is heel raar voor ons. We twijfelen vaak of we wel of niet welkom zijn. We durven niet te praten zoals we graag zouden willen. We zijn immers te gast,' zegt Neda.
Niet durven praten zoals je graag zou willen, het is iets wat me helemaal vreemd is. In de afgelopen twee jaar heb ik op deze pagina's genoeg geschreven om vermoord voor te worden. Als dit Iran was geweest.
Ali en Neda zijn vier jaar en twee negatieve beslissingen van de IND over hun vluchtelingenstatus verder. De eerste keer krijgt bijna iedereen een negatief advies. Je hebt geen reisdocumenten en je bent het land binnengesmokkeld, dus je kunt niet bewijzen hoe en waarvandaan je gekomen bent. Maar je zou gek zijn als je reisdocumenten bij je had, dan word je gewoon teruggestuurd, Ook de tweede keer besliste de IND ongunstig. Er zou geen gevaar voor hen zijn in het land van herkomst. Het tegendeel is heel moeilijk te bewijzen: 'In Iran word je zo van tafel in een auto gesleurd en je verdwijnt. Ze zijn geen prominente Tudeh-leden, wat het alleen maar gemakkelijker maakt om hen spoorloos te laten verdwijnen. Er valt dan niets meer te bewijzen. Ik ben bang dat dat ons te wachten staat als we terug moeten.'
Zelfs hier ben je niet zeker, zeggen Ali en Neda. Tudeh is nog steeds actief in Iran, via internet blijft iedereen op de hoogte. Er zijn geheimagenten geïnfiltreerd om op zoek naar namen van activisten in Iran. En van familieleden die je geholpen hebben je te ontsnappen. Daarom durven ze het achterste van hun tong niet te laten zien.

Vijf weken na dit gesprek is de rechtszaak en inmiddels hebben Ali en Neda bewijzen genoeg verzameld, hopen ze. Het bestuur van de Tudeh stuurde een bewijs van lidmaatschap. Een familielid heeft een krantenknipsel over de arrestatie van zijn vader opgestuurd. Hun Nederlandse vrienden hebben op eigen initiatief een solidariteitsverklaring ondertekend. Zes à zeven maanden later wordt dan bekend of ze al of niet mogen blijven. Zowel Ali en Neda als de IND mogen tegen de beslissing in beroep gaan. In het ongunstigste geval moeten ze in een ander land wachten. Om hen heen zien ze mensen teruggestuurd worden en begin maart van dit jaar is een Iraanse jongen die door Noorwegen werd teruggestuurd twee dagen later met ingeslagen schedel op straat gevonden. De spanning is ondraaglijk, maar ze proberen de tijd zo positief mogelijk door te komen.
Neda glimlacht: 'Ik heb een Nederlands gezegde geleerd, Je leeft maar één keer. Dus waarom zou je dan niet goed leven?'



Tien jaar Metro

metrologoMetro bestaat tien jaar in Nederland. Ik schrijf al meer dan vijf jaar niet meer voor het blad, maar nog steeds spreken mensen me erop aan, alsof mijn laatste column vorige week in Metro stond.

In die begintijd in 1999 was er een amorfe hoop columnisten actief in het blad. Een stuk of 24 geloof ik. Ik had net van Tommy Wieringa gehoord dat hij columns voor Spits ging schrijven, ik las Metro en ik dacht, als die columns geplaatst worden, dan die van mij ook. Ik belde Jelle Leenes, stuurde een pakket met columns op (nee, dat deed je toen nog niet per e-mail) en ik werd uitgenodigd voor een gesprek. In augustus 1999 verscheen mijn eerste column.

Er zat geen speciaal idee achter de plaatsing van de columns. Het was een kwestie van voordringen: je belde de redactie dat je een actueel idee had en dan zei de dienstdoende redacteur bijna altijd ja. Voordringen was heel belangrijk omdat Metro maar liefst 800 gulden (zo'n 360 euro) per column betaalde. Ik had gemiddeld 2,5 column per maand, dus ik haalde een vette boterham uit Metro, toen de beste gratis krant van Nederland.

In 2000 of 2001 ging het slechter met Metro. Ik heb toen zelf voorgesteld om de vergoeding te verlagen naar 600 gulden in ruil voor een vaste tweewekelijkse column. Ik kan me bijna niets meer herinneren waarom ik dat gedaan heb. Ik kan me wel herinneren dat er altijd stompzinnige titels boven mijn column gezet werden. Zo werd van mijn 'Angst en walging in de Aldi' gemaakt: 'Woede van een tierende vrouw in de marge in de Aldi'. Tsja.

In 2002 ben ik, net als veel andere columnisten van Metro, door Jan Dijkgraaf per e-mail ontslagen. Ik heb hem toen gevraagd of hij me dat recht in mijn gezicht wilde zeggen. Waarschijnlijk vond hij mijn tegenaanval erg sympathiek, want in tegenstelling tot de columnisten die een advocaat inschakelden, kreeg ik wel gehoor en mocht ik tweewekelijks een middenpagina vullen in Metro. Eerlijk gezegd vond ik zijn beslissing om met het kapmes door het columnistenbestand te gaan geen slecht idee. Er zaten een hoop niet-grappige, niet-scherpe en niet-interessante leuteraars tussen.

Inmiddels is Metro de oninteressantste gratis krant van Nederland geworden en is De Pers de beste gratis krant van Nederland ('Volkskrant light', probeerde GeenStijl te beledigen, maar het is een compliment). Gelukkig is het stompzinnige gedoe met plussen en minnen onder de columns in Metro verdwenen, maar op Luuk Koelman na, is nog steeds dezelfde onderbond van columnisten die, eh, de kolommen vult.

Luuk Koelman, ja. Volgens mij is dat de enige die al tien jaar ononderbroken aan Metro is verbonden. Voor jou dan, Luuk: van harte!

10 jaar & 7 jaar

trouwfoto

They're playing our song!






Alleen wie vandaag stemt...

...mag vanaf morgen over Europa zeiken.